LEIFlijn

Bel de LEIFlijn: 078 15 11 55

Voor hulp of inlichtingen over het levenseinde

Zes mogelijk medische beslissingen aan het levenseinde

Vandaag wordt bij bijna 5 op de 10 Vlamingen het tijdstip van overlijden medisch beÏnvloed door één of andere beslissing.

Er zijn 6 mogelijke beslissingen bij het levenseinde:


1. Het stoppen van een zinloos geworden behandeling zoals het stoppen van de nierdialyse bij een terminale nierpatiënt.

2. Het niet opstarten van een zinloos geworden behandeling zoals de beslissing om geen kunstmatige voeding of vocht toe te dienen of geen chemotherapiekuur meer te geven bij een kankerpatiënt.

3. Aanpassing van de pijnstilling tijdens de stervensfase zodat de patiënt pijnvrij kan overlijden. Het is mogelijk dat dit het stervensproces verkort (en dat men vroeger overlijdt), maar zonder dat dit de oorspronkelijke bedoeling was van de pijnstilling.  Analoog kan men de patiënt een ‘palliatieve sedatie’ of slaapverwekkende (sederende) producten geven tijdens de stervensfase. Men doet dit opdat de patiënt onbehandelbare, ondraaglijke klachten (bv. continu braken) niet meer bewust zou meemaken. Het is mogelijk dat dit het stervensproces verkort, maar zonder dat dit de oorspronkelijke bedoeling was van de sederende middelen. In sommige gevallen wordt tijdens deze sedatie de kunstmatige voeding- en vochttoediening stopgezet.
Aanpassing van de pijnstilling en palliatieve sedatie noemt men ook nog het verlichten van het stervensproces. Lees meer

4. Levensbeëindiging zonder verzoek, zoals bij een pasgeborene met extreme afwijkingen of met een zeer ernstige erfelijke aandoening waaraan de baby toch - na een intense lijdensweg van weken of maanden - zal bezwijken. Een ander voorbeeld is het stelselmatig opdrijven van de dosissen medicamenten tijdens de palliatieve sedatie omdat bv. de familie vindt dat het stervensproces van hun bewusteloos gemaakte familielid te lang aansleept. Dit kan men tot ‘barmhartige stervenshulp’rekenen.

5. Hulp bij zelfdoding waarbij de arts een dodelijk middel geeft of voorschrijft aan iemand met een ernstig gezondheidsprobleem. De patiënt neemt dit middel in op een tijdstip dat hij/zij zelf bepaalt en waarbij de arts verder niet betrokken wordt. Hulp bij zelfdoding is echter tot op vandaag niet wettelijk geregeld. Lees meer

6. Euthanasie of  levensbeëindiging op verzoek, is het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een arts op uitdrukkelijke vraag van de patiënt zélf. De patiënt moet wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Lees meer

Merk op dat enkel de laatste (zesde) beslissing bij het levenseinde euthanasie wordt genoemd. Vaak gebruikt men het begrip ‘euthanasie’ (of ‘euthanaseren’) i.v.m. de andere vormen van levensbeëindiging.  Dit is onterecht.

De eerste 2 beslissingen (het stoppen of niet meer opstarten van een zinloos geworden behandeling) noemt men eveneens 'niet-behandelbeslissingen'. Daardoor vermijdt men eigenlijk therapeutische hardnekkigheid. Artsen zijn volgens de patiëntenrechtenwet verplicht dit te doen. Het is evident dat men - na deze beslissingen - de patiënt niet aan zijn lot overlaat, maar hem verder met ondersteunende zorg  begeleidt. Deze supportieve zorg valt eveneens onder de palliatieve zorg. 

Soms kunnen meerdere beslissingen elkaar opvolgen, bijvoorbeeld in het geval van een palliatieve sedatie waarbij men de sedatie, aanvankelijk bedoeld om de patiënt in slaap te houden, uiteindelijk opdrijft, zodat het overlijden wordt bespoedigd (zie ook: palliatieve sedatie versus euthanasie).   

Enkel bij euthanasie en hulp bij zelfdoding weet men dat de patiënt  zélf het initiatief heeft genomen. 
Bij de andere beslissingen moet de arts de patiënt of zijn/haar vertegenwoordiger informeren en in beginsel hun akkoord vragen. Voor het geval de patiënt wilsonbekwaam zou zijn, kan hij/zij vooraf een negatieve wilsverklaring opstellen om een grotere zekerheid te hebben dat er met zijn/haar wil rekening wordt gehouden. Lees meer over de Negatieve wilsverklaring